RGB-kleurmodel: uitleg
Elke kleur die met het RGB-kleurmodel kan worden weergegeven, wordt beschreven door een unieke set van drie getallen. Meestal wordt hierbij de zogenaamde TrueColor-methode gebruikt, waarbij elke basiskleur in 256 tinten wordt weergegeven. Dat betekent dat er in totaal 256³, dus meer dan 16 miljoen verschillende kleuren mogelijk zijn. De waarden voor deze getallen liggen tussen 1 en 256, bijvoorbeeld (50, 250, 80).
Het RGB-kleurmodel wordt bijvoorbeeld toegepast bij gangbare computerschermen. Daar bestaan de afzonderlijke beeldpunten uit rood, groen of blauw licht, die in het hoge-resolutie totaalbeeld niet meer apart te zien zijn.
In technische toepassingen worden de basiskleuren vaak aangepast, waardoor kleuren op een foto anders kunnen lijken dan op het scherm.
Enkele belangrijke kleurruimten
Kleurruimten kunnen op verschillende manieren geometrisch worden weergegeven, bijvoorbeeld als een kubus of als een kegel. In 1931 definieerde de Internationale Commissie voor Verlichting (CIE) de op rood, groen en blauw gebaseerde CIE-kleurruimte, om het menselijk kleurenzicht zo begrijpelijk en volledig mogelijk weer te geven. Het menselijk oog beschikt voor het waarnemen van deze drie kleuren over drie verschillende typen receptorcellen.
De meeste kleuruitvoerapparaten werken met een deelverzameling van de kleuren uit de CIE-kleurruimte. Bekende versies hiervan zijn sRGB en Adobe RGB (beter afgestemd op CMYK-printers). In de verlichtingstechniek wordt vooral de CIELUV-kleurruimte gebruikt, die een zeer gedetailleerde kleurweergave mogelijk maakt bij additieve menging van lichtkleuren. In de praktijk zijn er ongeveer 40 verschillende kleurruimten van belang, waarvan de meest uitgebreide ongeveer driekwart van alle kleuren in de CIE-kleurruimte kan weergeven.